Illustratie: sprinter viert een ritzege terwijl zijn ploegmaats en verzorgers achter de dranghekken toekijken

Tim Merlier wint dit jaar drie ritten in de Tour de France. Drie keer die laatste kilometer, drie keer een ploeg die zich de hele dag kapotrijdt om hem daar te krijgen. Aan het eind van de maand staat er 36.100 euro aan premies op zijn naam, en dat is nog voor de verdeling met de ploegmaats.

Jan Bakelants, oud-Tourritwinnaar en tegenwoordig analist, vindt dat het wielrennen anders met dat geld moet omgaan. Hij zegt het tegen Wielerplaza in één zin die blijft hangen: “Geen enkele prof in de WorldTour koerst voor het prijzengeld.”

611.980 voor de winnaar, 36.100 voor drie ritzeges

De Tour verdeelde dit jaar ruim 2,3 miljoen euro aan premies. Tadej Pogacar haalde daarvan 611.980 euro op, Remco Evenepoel kwam uit op 247.800 euro en Merlier dus op 36.100.

Deel die 611.980 even door de totale pot en je ziet waar het geld heen gaat: ongeveer 27 procent van alle premies van drie weken koers belandt bij één renner. Voor de eindwinnaar is dat te verdedigen. Voor het beeld dat prijzengeld een beloning voor prestaties is, minder: drie ritzeges leveren zeventien keer minder op dan één eindzege.

In de praktijk gaat dat geld bovendien de ploeg in. Premies worden verdeeld onder ploegmaats en vaak ook het personeel. Voor de sterren zijn salaris, contractbonussen en sponsordeals veel belangrijker, en juist daarom, zegt Bakelants, onderhandelt niemand hard over die prijzenpot.

Tweeduizend euro erbij in twee jaar

Wat ons het meest opviel in zijn verhaal is niet de hoogte maar de stilstand. In 2024 was de totale Tourpot ongeveer 2,301 miljoen euro, in 2026 ongeveer 2,303 miljoen.

Dat is tweeduizend euro verschil in twee jaar. Op een pot van 2,3 miljoen is dat 0,09 procent. Wie in die twee jaar wel eens iets bij een koers heeft gekocht, weet dat de prijzen daar niet met 0,09 procent stegen. De UCI schrijft voor internationale wedstrijden minimumbedragen voor, en voor de Tour staat er in het reglement van 2026 minimaal één miljoen euro voor de etappes en het eindklassement samen. Dat minimum loopt niet automatisch mee met de inflatie, en precies daar wil Bakelants aan sleutelen.

Twee jaartallen zijn geen trend, dat is eerlijk. Wat ze wel laten zien: de pot beweegt niet mee met wat er verder in de sport gebeurt, en niemand aan tafel maakt daar een punt van.

Het geld naar de ploegen sturen haalt de laatste zichtbare beloning weg

Zijn voorstel gaat verder dan hogere premies. Bakelants wil af van het idee dat prijzengeld eerst aan de renner toevalt. Laat het rechtstreeks naar de ploegen gaan, zegt hij, dan kan een team het investeren in trainingskampen, begeleiding, personeel en prestatiebonussen.

Daar zijn wij het niet mee eens, en niet uit romantiek. Het prijzengeld is het enige bedrag in deze sport dat aan een prestatie hangt die iedereen heeft gezien. Een salaris komt uit een onderhandeling, een sponsordeal uit een marketingbudget, maar die 36.100 euro van Merlier hangt aan drie sprints die je zelf hebt bekeken. Verplaats dat naar de ploegkas en je hebt een sport waarin geld nog uitsluitend via contracten stroomt. Wie denkt dat de knecht daar beter van wordt, moet uitleggen waarom een ploeg vrijwillig aan de knecht uitkeert wat nu via een verdeelsleutel bij hem terechtkomt.

De helft van zijn punt klopt wel: die pot moet omhoog. Alleen is dat een andere discussie dan wie hem in ontvangst neemt.

Meer premie belandt in dit systeem juist bij wie al wint

En dan het ongemakkelijke voor onze eigen kant, want “de renners moeten meer krijgen” is snel geroepen. In de huidige verdeelsleutel gaat 27 procent van de pot naar de eindwinnaar. Verdubbel je het prijzengeld morgen, dan verdubbel je vooral het bedrag van Pogacar. Merlier gaat van 36.100 naar 72.200 en blijft daarmee op een fractie van wat één man in dezelfde drie weken ophaalt.

Wie dus echt vindt dat de sport eerlijker moet betalen, praat niet over de hoogte van de pot maar over de verdeling ervan. Dat is minder leuk om te roepen en het is de enige vraag die iets verandert.

Deel het bedrag van je favoriet eens door de ploeg

Doe dit voor de rit die je hierna kijkt, het duurt twee minuten. Pak het premiebedrag van je favoriete renner en deel het door de ploeggenoten die met hem meereden, plus de verzorgers en mecaniciens die volgens de gewoonte meedelen.

Je houdt dan een bedrag over waar je in Nederland geen maand huur van betaalt. Dat getal is nuttiger dan elke discussie over miljoenen, want het laat zien waar dit gesprek echt over gaat: niet over de renner die op het podium staat, maar over iedereen die hem daar bracht. Wie zelf net begint met koersen, vindt de basis in onze startgids voor beginners.

De volgende prijzenpot staat al vast

Het eerstvolgende moment dat iets zegt, is de publicatie van de UCI-minimumbedragen voor volgend seizoen. Staat daar opnieuw hetzelfde bedrag, dan is Bakelants’ punt over de stilstand geen mening meer maar een reeks van drie jaar.

Dat de geldstromen in het wielrennen sneller schuiven dan het reglement, is trouwens geen nieuws voor wie de fietsindustrie volgt: het faillissement van Accell liet zien hoe snel een naam die iedereen kent aan een andere tafel terechtkomt.